Onderstaande tekst hebben wij van Ellen Boonstoppel Dierenkliniek Lent toegestuurd gekregen. Onze dierenarts die ons zeer behulpzaam is geweest en zeer veel tijd erin gestoken heeft, overleg heeft gehad met radioloog en cardioloog/internist  en naslagwerken heeft opgezocht. De onderstaande tekst hebben we ook doorgestuurd naar alle nieuwe baasjes van ons D-nest en naar de FAC NVSW en andere belangstellenden.

 

Uitleg DA Dierenkliniek Lent

 

diagnose van de pup is: Congenitale idiopathische mega-oesophagus: dit betekent aangeboren verwijde slokdarm met onbekende oorzaak.

Symptomen: Pups kunnen last hebben van het terug geven van voedsel of water, zonder daar actief voor te braken. (Het voer is in de slokdarm blijven zitten en komt terug)

Complicaties: Bij het terug komen van voedsel kunnen de pups zich verslikken dit kan leiden tot verslikpneumonie (longontsteking)

Wat kun je er aan doen: Pup van een verhoging laten eten, liefst met de voorpootjes op de verhoging. (soort trappetje)

Pup kwartiertje op je schouder leggen na het eten.

Kleine maaltijden vaker op de dag.

Nat voer gaat vaak beter. Maar sommige pups hebben minder last met brokjes: kwestie van uitproberen

Er is geen medicatie of operatie die dit kan verhelpen

Prognose: Afhankelijk van de ernst van de klachten en met extra zorg rondom het eten is er voor de meeste pups goed mee te leven. Een belangrijke ernstige complicatie kan de verslikpneumonie zijn: dit is een ernstige levensbedreigende complicatie die snel en goed behandeld moet worden. De aangeboren vorm heeft een betere prognose dan de verkregen vorm.

Erfelijk: De aandoening is erfelijk. Hoe de vererving verloopt is onbekend. Daarom mag er niet met dieren met de aandoening gefokt worden.

Aandoening die erop lijkt: Een aangeboren afwijking die ongeveer dezelfde symptomen kan geven is de persisterende rechter aorta boog. Hier wordt ook een verwijde slokdarm gezien maar dit komt door een afwijking in de bloedvaten boven het hart die de slokdarm afknellen. Deze aandoening kan alleen met een operatie behandeld worden. Op de röntgenfoto is duidelijk het verschil te zien tussen deze aandoening en de congenitale idiopatische Mega-Oesopagus.

 

Om wat meer achtergrond informatie over deze aandoening te geven hieronder een stukje uit het Promotie onderzoek van mevr. K de Vlieger aan de RUU Gendt.

 

Congenitale idiopathische mega-oesophagus is aandoening waarbij de slokdarm van net gespeende honden een gegeneraliseerde dilatatie vertoont ten gevolge van een gebrek aan progressieve peristaltiek. De aandoening zou te wijten zijn aan een onderontwikkeling van de vagale

innervatie van de slokdarm. Doordat het opgenomen voedsel de maag niet bereikt door de gebrekkige peristaltiek, stapelt het zich op in de slokdarm. Hierdoor zal deze laatste gaan dilateren tot vorming van een mega-oesophagus. Congenitale idiopathische mega-oesophagus is erfelijk en wordt vooral bij Duitse Herders waargenomen. In zeldzame gevallen werd de ziekte ook gerapporteerd bij veulens en kalveren. De symptomen treden pas op als het dier overschakelt van moedermelk naar vast voedsel. Het belangrijkste symptoom dat wordt waargenomen is regurgitatie. Dit kan optreden na voedselopname maar ook gedurende de slaap, waardoor de kans op het

ontwikkelen van een aspiratiepneumonie groot is. Aangetaste pups kunnen ook een milde hoest vertonen en vermageren. De diagnose wordt gesteld met behulp van de anamnese en de symptomen. Bij klinisch onderzoek kan men de gedilateerde slokdarm voor de borstingang

palperen. De mega-oesophagus kan men in beeld brengen met behulp van oesofagoscopie en (contrast-) radiografie. Op een radiografische projectie wordt hierbij een sterk gedilateerde slokdarm waargenomen die vaak gevuld is met lucht. De gebrekkige peristaltiek kan men door middel van barium fluoroscopie waarnemen.De behandeling bestaat eruit het dier frequent kleine hoeveelheden energierijk voedsel te geven, waarna men bij honden en katten deze tien minuten in een opgerichte positie vasthoudt. Men kan ook het dier laten eten vanuit een opgerichte positie. Bij langdurige toepassing van deze behandeling zal het probleem bij de meeste kleine huisdieren opgelost zijn tegen dat ze zes tot twaalf maanden oud zijn. Gezien de behandeling bij grote huisdieren problematisch is, kent de aandoening bij deze dieren een eerder beperkte prognose (Bowman et al., 1978; Rogers et al., 1979; Watrous en Blumenfeld, 2002; Wohl, 2004; Ulutas et al.,

2006).